juni 2018

De plek waar je woonde opzoeken, zien dat het huis weg is – afgebroken en toch blijven zoeken.
Lezers van poëzie zullen deze regels herkennen als regels van Rutger Kopland. Het zijn regels zoals we ze van Kopland kennen. Zinnen waarin vaak een verlangen schuilgaat of zelfs: het verlangen naar een verlangen. Er is iets voorbij of verloren. Voorgoed. We weten het (met het hoofd) maar leggen ons er niet bij neer (in het hart). Je relatie is voorbij, het verleden is geborgen, alles waar we op bouwden, we weten het… …en toch blijven zoeken.
Alles gaat voorbij en in andere gedichten spreekt Kopland zelfs over het ‘geluk’ dat het voorbij is. Zelfs de paradijselijke momenten, de hemelse ervaringen, ook die gaan voorbij, zegt hij elders. Want rust roest en stilstand is achteruitgang. Wat is dan dat verlangen dat we iets nog eenmaal willen zien? Nadrukkelijk werd ik er aan herinnerd toen iemand een heel eenvoudige wens uitte voor het einde van zijn leven. In een kwartier was het geregeld. En… het gaf een intense rust. Zelf noemt Kopland dat: Nog één keer zien wat er bedoeld is geweest / en wat daarvan overbleef. Dat doen we wel. ‘We’. In Koplands gedichten zijn wij lezers ook ‘we’, ook al zijn we dat soms heel duidelijk niet. Maar zijn toon is zo intiem en dichtbij, dat je als lezer gemakkelijk denkt: hij heeft het tegen mij, het gaat over mij, het is mijn leven, het is zijn  ervaring die hij mij wil schrijven. Zijn evangelie, een moderne Prediker (het Bijbelboek). Alsof je een brief krijgt van een vriend.
ds. Piet Vellekoop

Van over het water

De plek waar je woonde opzoeken, zien dat het huis weg is – afgebroken en toch blijven zoeken.
Lezers van poëzie zullen deze regels herkennen als regels van Rutger Kopland. Het zijn regels zoals we ze van Kopland kennen. Zinnen waarin vaak een verlangen schuilgaat of zelfs: het verlangen naar een verlangen. Er is iets voorbij of verloren. Voorgoed. We weten het (met het hoofd) maar leggen ons er niet bij neer (in het hart). Je relatie is voorbij, het verleden is geborgen, alles waar we op bouwden, we weten het… …en toch blijven zoeken.
Alles gaat voorbij en in andere gedichten spreekt Kopland zelfs over het ‘geluk’ dat het voorbij is. Zelfs de paradijselijke momenten, de hemelse ervaringen, ook die gaan voorbij, zegt hij elders. Want rust roest en stilstand is achteruitgang. Wat is dan dat verlangen dat we iets nog eenmaal willen zien? Nadrukkelijk werd ik er aan herinnerd toen iemand een heel eenvoudige wens uitte voor het einde van zijn leven. In een kwartier was het geregeld. En… het gaf een intense rust. Zelf noemt Kopland dat: Nog één keer zien wat er bedoeld is geweest / en wat daarvan overbleef. Dat doen we wel. ‘We’. In Koplands gedichten zijn wij lezers ook ‘we’, ook al zijn we dat soms heel duidelijk niet. Maar zijn toon is zo intiem en dichtbij, dat je als lezer gemakkelijk denkt: hij heeft het tegen mij, het gaat over mij, het is mijn leven, het is zijn  ervaring die hij mij wil schrijven. Zijn evangelie, een moderne Prediker (het Bijbelboek). Alsof je een brief krijgt van een vriend.
ds. Piet Vellekoop

Van de waterkant

Echt

In het boek De Kracht van kwetsbaarheid van Brené Brown staat een verhaaltje over jezelf worden. Een verhaaltje over authenticiteit, je kwetsbaar opstellen, je niet anders voordoen dan je bent. Mensen mogen je zien zoals je écht bent. Het verhaaltje gaat zo:

‘Echt is niet hoe je gemaakt bent,’ zei het Leren Paard. ‘Het is iets wat met je gebeurt. Als een kind lang, heel lang van je houdt, en niet alleen om met je te spelen, maar echt van je houdt, dan word je echt.’

‘Doet dat pijn?’ vroeg het konijn.

‘Soms wel,’ zei het Leren Paard, want hij sprak altijd de waarheid. ‘Maar als je echt bent, dan geef je er niets om dat het pijn heeft gedaan.’

‘Gebeurt het allemaal ineens, net als opgewonden worden,’ vroeg hij, ‘of beetje bij beetje?’

‘Het gebeurt niet allemaal ineens, zei het Leren Paard. ‘Je wordt het gewoon. Het duurt een hele tijd. Daarom gebeurt het niet vaak met dingen die gemakkelijk breken, of scherpe randen hebben, of heel voorzichtig behandeld moeten worden.

In het algemeen ben je tegen de tijd dat je echt wordt meestal kaal geknuffeld, je ogen zijn eruit gevallen, je poten bengelen erbij en je ziet er haveloos uit.

Maar dat geeft allemaal niets, want als je eenmaal echt bent, ben je niet lelijk meer, behalve voor de mensen die het niet begrijpen.’

Het verhaaltje deed me denken aan wat ik laatst in 1 Korintiërs 13:12 las: ‘Nu zien we God nog niet. We merken wel dat hij er is, maar we zien hem niet. Maar straks, in de nieuwe wereld, zullen we God zien met onze eigen ogen. Nu weten we nog lang niet alles over God. Maar dan zullen we hem echt kennen, zoals hij ons nu al kent.’ (BGT vertaling).

Ik wens iedereen een echte, goede zomer toe.
Jochem Stuiver

juni 2018

 Echt

In het boek De Kracht van kwetsbaarheid van Brené Brown staat een verhaaltje over jezelf worden. Een verhaaltje over authenticiteit, je kwetsbaar opstellen, je niet anders voordoen dan je bent. Mensen mogen je zien zoals je écht bent. Het verhaaltje gaat zo:

‘Echt is niet hoe je gemaakt bent,’ zei het Leren Paard. ‘Het is iets wat met je gebeurt. Als een kind lang, heel lang van je houdt, en niet alleen om met je te spelen, maar echt van je houdt, dan word je echt.’

‘Doet dat pijn?’ vroeg het konijn.

‘Soms wel,’ zei het Leren Paard, want hij sprak altijd de waarheid. ‘Maar als je echt bent, dan geef je er niets om dat het pijn heeft gedaan.’

‘Gebeurt het allemaal ineens, net als opgewonden worden,’ vroeg hij, ‘of beetje bij beetje?’

‘Het gebeurt niet allemaal ineens, zei het Leren Paard. ‘Je wordt het gewoon. Het duurt een hele tijd. Daarom gebeurt het niet vaak met dingen die gemakkelijk breken, of scherpe randen hebben, of heel voorzichtig behandeld moeten worden.

In het algemeen ben je tegen de tijd dat je echt wordt meestal kaal geknuffeld, je ogen zijn eruit gevallen, je poten bengelen erbij en je ziet er haveloos uit.

Maar dat geeft allemaal niets, want als je eenmaal echt bent, ben je niet lelijk meer, behalve voor de mensen die het niet begrijpen.’

Het verhaaltje deed me denken aan wat ik laatst in 1 Korintiërs 13:12 las: ‘Nu zien we God nog niet. We merken wel dat hij er is, maar we zien hem niet. Maar straks, in de nieuwe wereld, zullen we God zien met onze eigen ogen. Nu weten we nog lang niet alles over God. Maar dan zullen we hem echt kennen, zoals hij ons nu al kent.’ (BGT vertaling).

Ik wens iedereen een echte, goede zomer toe.
Jochem Stuiver

mei 2018

Van over het water (51)

Het meest bijzondere van mijn ‘aanwezigheid’ vind ik altijd weer dat mensen mij toestaan een kijkje in hun leven te nemen. Het meest wonderlijke vind ik daarbij dan nog dat ik daar helemaal niets voor hoef te doen.

Het is niet onbekend dat ik nogal een buitenmens ben. Daarmee bedoel ik niet dat ik groene vingers heb. Integendeel, maar dat is bekend. Bij mooi weer mag ik graag langs de Vecht of het Amsterdam-Rijnkanaal zitten. Met een boek of een notitieblokje of helemaal niets, gewoon voor mij uit dromen. Mijmeren over een brief die ik wil schrijven, een toespraak die moet worden voorbereid of een preek.

Het is bijzonder dat het vaak niet lang duurt of iemand spreekt mij aan: Dominee… etc. Nog wonderlijker vind ik het dat het mensen van allerlei kunne en slag zijn die mij blijken te kennen. (Soms heb ik het gevoel of het op mijn voorhoofd staat geschreven: …) En speciaal is het dat de meesten niet tot ‘mijn’ eigen parochie behoren. Vaker een tot een andere of ‘geen’.

Maar mensen openen zich als vanzelf. Werkelijk het enige wat ik vol moet houden, en dat is soms geen geringe opgave, is Psalm 141 vers 3 ten uitvoer brengen: Heer, stel een wacht voor mijn mond. Waak over de deuren van mijn lippen. Zwijgen dus. Gewoon door er te zijn, ontlasten mensen zich van de meest verschrikkelijke en niet minder ook van de meest verrukkelijke dingen van het leven.

Jammer dat ik geen straatpastor meer mocht worden in Amsterdam. (Te oud!) Nu vind ik dat echter niet jammer meer, want misschien ben ik als kanaalpastor nog wel beter op mijn plek dan als straatpastor. En… aan doopwater geen gebrek. Ik bedoel maar, ieder nadeel heeft zijn voordeel. Ook al is die uitspraak uit die andere hoofdstad mij heel wat liever: geen woorden maar daden.

Piet Vellekoop

Van over het water.

Van over het water (51)

Het meest bijzondere van mijn ‘aanwezigheid’ vind ik altijd weer dat mensen mij toestaan een kijkje in hun leven te nemen. Het meest wonderlijke vind ik daarbij dan nog dat ik daar helemaal niets voor hoef te doen.

Het is niet onbekend dat ik nogal een buitenmens ben. Daarmee bedoel ik niet dat ik groene vingers heb. Integendeel, maar dat is bekend. Bij mooi weer mag ik graag langs de Vecht of het Amsterdam-Rijnkanaal zitten. Met een boek of een notitieblokje of helemaal niets, gewoon voor mij uit dromen. Mijmeren over een brief die ik wil schrijven, een toespraak die moet worden voorbereid of een preek.

Het is bijzonder dat het vaak niet lang duurt of iemand spreekt mij aan: Dominee… etc. Nog wonderlijker vind ik het dat het mensen van allerlei kunne en slag zijn die mij blijken te kennen. (Soms heb ik het gevoel of het op mijn voorhoofd staat geschreven: …) En speciaal is het dat de meesten niet tot ‘mijn’ eigen parochie behoren. Vaker een tot een andere of ‘geen’.

Maar mensen openen zich als vanzelf. Werkelijk het enige wat ik vol moet houden, en dat is soms geen geringe opgave, is Psalm 141 vers 3 ten uitvoer brengen: Heer, stel een wacht voor mijn mond. Waak over de deuren van mijn lippen. Zwijgen dus. Gewoon door er te zijn, ontlasten mensen zich van de meest verschrikkelijke en niet minder ook van de meest verrukkelijke dingen van het leven.

Jammer dat ik geen straatpastor meer mocht worden in Amsterdam. (Te oud!) Nu vind ik dat echter niet jammer meer, want misschien ben ik als kanaalpastor nog wel beter op mijn plek dan als straatpastor. En… aan doopwater geen gebrek. Ik bedoel maar, ieder nadeel heeft zijn voordeel. Ook al is die uitspraak uit die andere hoofdstad mij heel wat liever: geen woorden maar daden.

Piet Vellekoop

mei 2018

De vraag.

Bij steeds meer supermarkten krijg ik bij het afrekenen de vraag: ’Heeft u alles kunnen vinden?’ De eerste keer dat die vraag aan mij gesteld werd kwam ik gelijk in een identiteitscrisis. Wat was er mis met mijn boodschappen op de band? Heb ik er de leeftijd nu voor om van alles niet te kunnen vinden? Zie ik er uit als een zoekende ziel? Wordt er getwijfeld aan mijn boodschappenvaardigheid?
Beduusd stamelde ik als antwoord ‘Ja’ maar ik had eigenlijk willen vragen ‘Hoezo?’En wat zou er gebeuren als ik inderdaad zou zeggen dat ik het mini blikje tomatenpuree uit de aanbieding niet gevonden had. Zou er dan keihard door de winkel worden omgeroepen: ‘Bij kassa drie staat weer zo’n man die die goedkope tomatenpuree niet kon vinden, kan iemand die komen brengen?’ Ik hoor de mensen in de rij achter mij al zuchten. Waarschijnlijk zou mijn hoofd dan vanzelf al de kleur van tomatenpuree krijgen.
Er is natuurlijk iemand in het management van de supermarkt geweest die op een dag deze briljante vraag bedacht heeft. En sindsdien nemen steeds meer winkels het over.
Misschien kan ik het ook overnemen als ik bij de uitgang van de kerk op zondagmorgen handen sta te schudden. ‘Heeft u vanmorgen alles in de kerk kunnen vinden?’ Best een goede vraag, want wat zoek je in de kerk en vind je het daar ook? Aan de andere kant is de kerk een omgekeerde winkel. Hier zoek je geen boodschappen, die krijg je vanzelf en ook nog eens gratis aangereikt.
Jochem Stuiver

 

Van de waterkant

De vraag.

Bij steeds meer supermarkten krijg ik bij het afrekenen de vraag: ’Heeft u alles kunnen vinden?’ De eerste keer dat die vraag aan mij gesteld werd kwam ik gelijk in een identiteitscrisis. Wat was er mis met mijn boodschappen op de band? Heb ik er de leeftijd nu voor om van alles niet te kunnen vinden? Zie ik er uit als een zoekende ziel? Wordt er getwijfeld aan mijn boodschappenvaardigheid?
Beduusd stamelde ik als antwoord ‘Ja’ maar ik had eigenlijk willen vragen ‘Hoezo?’En wat zou er gebeuren als ik inderdaad zou zeggen dat ik het mini blikje tomatenpuree uit de aanbieding niet gevonden had. Zou er dan keihard door de winkel worden omgeroepen: ‘Bij kassa drie staat weer zo’n man die die goedkope tomatenpuree niet kon vinden, kan iemand die komen brengen?’ Ik hoor de mensen in de rij achter mij al zuchten. Waarschijnlijk zou mijn hoofd dan vanzelf al de kleur van tomatenpuree krijgen.
Er is natuurlijk iemand in het management van de supermarkt geweest die op een dag deze briljante vraag bedacht heeft. En sindsdien nemen steeds meer winkels het over.
Misschien kan ik het ook overnemen als ik bij de uitgang van de kerk op zondagmorgen handen sta te schudden. ‘Heeft u vanmorgen alles in de kerk kunnen vinden?’ Best een goede vraag, want wat zoek je in de kerk en vind je het daar ook? Aan de andere kant is de kerk een omgekeerde winkel. Hier zoek je geen boodschappen, die krijg je vanzelf en ook nog eens gratis aangereikt.
Jochem Stuiver

 

april 2018

Een veilige kerk

Als alles doorgaat zal op 13 mei een vluchtelinge in onze kerk gedoopt worden. Sinds juni 2014 is zij dan de zevende. Dat is best bijzonder. Zelf heb ik voor 2014 nog nooit een vluchteling gedoopt en dan straks al voor de zevende keer. Wie had tien jaar terug kunnen bedenken dat onze kerk een klein beetje groeit door vluchtelingen? Ook heel bijzonder vind ik dat zij allemaal op eigen initiatief onze kerk hebben gevonden. Of misschien ook niet zo verbazingwekkend. Vluchtelingen hebben wel geleerd om hun eigen weg te zoeken en te vinden. Feit is dat we daar zelf als gemeente niets voor hebben gedaan, ze komen vanzelf door onze deuren naar binnen. Sommigen zelfs met het idee dat God hen zei dat ze hier moesten zijn.

Als ik hen vraag wat ze in onze kerk vinden dan is bijna altijd het antwoord rust en vrede van God en een vriendelijk gezicht. Heel vaak kunnen ze in het begin niets volgen van het Nederlands maar gaandeweg leren ze vanzelf steeds meer. Ze vertellen me dat de kerk de enige plek is waar ze zich echt veilig voelen. Vooral omdat de mensen allemaal zo aardig zijn, al is communicatie in het begin vaak lastig. Om daar wat aan te doen maak ik met oud-onderwijzer Jan Naves vaak een combi. Hij geeft deze mensen eerst een uur taalles en aansluitend kom ik langs met de Kijkbijbel. Daar lezen we samen hardop uit en bespreken de verhalen en het christelijk geloof. Ontroerend is het om te merken hoeveel herkenning en overeenkomst er soms is tussen hun levensverhalen en de verhalen in de Bijbel. Een verhaal over de storm op het meer bijvoorbeeld, daar weten ze zelf alles van als ze met een boot over de zee zijn gevlucht. Dat raakt hen heel diep. Dankbaar zijn ze dat ze een veilige plek, een veilige kerk hebben gevonden.

Uit contacten met mensen in Oost-Europa weet ik dat een veilige kerk niet vanzelfsprekend is, in het bijzonder niet voor minderheden op het gebied van etniciteit, taal, geaardheid of ras. Gelukkig wil de Ontmoetingskerk wel een veilige kerk zijn en hoort zij op dit moment bijvoorbeeld bij de 110 kerken in Nederland die als veilig voor LHBT’ers zijn aangemerkt (zie wijdekerk.nl). Veilig omdat zij bewezen heeft dat alle taken en ambten -inclusief die van voorganger- openstaan voor iedereen en alle liefdesrelaties tussen mensen een zegen kunnen ontvangen. Niet alle kerken hoeven zo te zijn maar het is goed dat er een aantal zijn voor vluchtelingen en andere minderheden. Dat mag best wel eens gezegd en gevierd worden, dat gaan we in ieder geval doen op 13 mei.

ds. Jochem Stuiver

april 2018

Na Pasen komt er wat meer tijd om te denken, te studeren, te mediteren. Dat hoop ik in ieder geval altijd. Dan blader ik terug, meestal zo vanaf Kerstfeest naar waar ik nu zit, woensdagmiddag 11 april. Na Pasen dus.
Waarom bezoek ik mensen? Waarom schrijf ik verhalen? Maar ook is er weer tijd om uitgebreider op bezoek te gaan bij mijn moeder. Sinds 9 september 2001 (aanslag Twin Towers) of 6 mei 2002 (moord Pim Fortuyn) is er iets veranderd. Mijn moeder van 91 ziet vier grote omslagpunten in haar levensgeschiedenis. De bovenstaande twee gebeurtenissen, die ook samenvallen met het overlijden van haar man, vormen er samen eentje van: Piet, het lijkt wel of de gekte regeert: Trump, Poetin, Syrië, etc. En de kerken slapen en de religie heeft zichzelf uitgehold. Ze schuift me een artikel uit de krant toe. Het dreunt behoorlijk na als ik naar huis reis. Misschien zijn wij aan het begin van de eeuw al heftig ontregeld geraakt. Voor mijn gevoel is er een enorme (ver)geldingsdrang gekomen. Een wraaklust die ook niet is gestuit door een economische crisis. Maar wat wel allemaal heeft geleid tot een diepgaand verlangen naar ‘het touwtje uit de brievenbus’ van Jan Terlouw.
De meeste mensen hebben meer geld dan ooit. Terwijl we misschien wel allemaal ergens weten dat we niet door geld, maar veel meer door iets als zingeving gelukkig worden. Maar wat is zingeving?
In mijn Drentse tijd maakte ik kennis met kleine boeren die leefden op het land. Economisch gezien onmogelijk, maar ze hebben een goed bestaan. Dat vinden ze zelf. Ze komen nooit ergens anders en gaan alleen naar de stad als ze naar het ziekenhuis móeten (van de dokter). En dan nog met grote tegenzin. Maar verder dan Groningen zijn ze niet geweest. En toch, de mensen zijn gelukkig als het gewas opkomt en de schapen lammeren. En midden in de oogsttijd nemen ze de tijd. Pauze is pauze en neem een stoel. Groter levenskunstenaars heb ik niet gekend. Ze hebben misschien een heel vaag besef van zingeving, maar ze léven het voluit! (Matteüs 6, 25-34).

ds. Piet Vellekoop