Voor onderweg

Verpleeghuis als leerhuis

‘Ik moet naar een verpleeghuis. Nou, dan weet je het wel dominee, daar komt nooit iemand levend uit.’ Eerlijk is eerlijk, soms zijn er geen antwoorden. Mensen kijken wel heel erg verlangend, hunkerend, hopend op een verlossend woord/Woord. Maar ook ik moet soms het antwoord schuldig blijven. Een ervaring uit Utrecht-Noord, waar ik af en toe werk.

In de titel zit het woordje ‘leerhuis’. Dat woord hebben we in de kerk geleend van het Jodendom. Het joodse leerhuis leert ons hoe wij het leven mogen leren leven. Dat gaat dan, het zal u niet verbazen, aan de hand van de boeken die staan in wat wij het Oude Testament noemen. Leren van mensen die naar een verpleeghuis gaan of wonen is minimaal zo boeiend. De verhalen en ervaringen van mensen vertellen tegelijk een deel van onze eigen geschiedenis of ons eigen voorland.

Nadat de meneer uit de inleiding is opgenomen, bezoek ik hem weer. De eerste dagen waren hem niet meegevallen. Hij had zich beperkt tot kijken en luisteren. Hij wees op zijn buurman: ‘Hij probeert het telkens weer’. ‘Wat probeert hij telkens weer?’ ‘Nou, met het bezoek meelopen. Soms lukt hem dat wonderwel en staat hij beneden. Ik begrijp hem steeds beter. Iedere dag word ik het mij meer bewust: de deur gaat hier maar naar één kant open!’

Het verpleeghuis is voor mij een leerhuis van zwijgen en luisteren. Vooral ook op de psychogeriatrische afdelingen: demente mensen die samen herinneringen vinden, die zelfs samen aan verwerken toekomen. Een mevrouw die amper binnen is vertelt ronduit dat ze het eigenlijk wel huiselijk vindt. ‘We zijn hier net een soort familie: ik kan jou alles vertellen’. Als de buurvrouw dan begint te huilen slaat ze een arm om haar heen en huilt mee. Of een gesprek dat begint over de keukenspullen van vroeger, naar aanleiding van een vrijwilligster die pannenkoeken bakt, eindigt met een soort getuigenis: ‘Ik wil hier toch graag zeggen dat ik een goed leven heb gehad’.

Natuurlijk weet ik, dat het heel pijnlijk kan zijn om een man, vrouw, geliefde, moeder, vader, kind (Korsakov!) of familielid in de psychogeriatrie te hebben wonen. Daar zal ik niets aan af doen. Maar ik zie ook dat de mensen zelf daar na verloop van tijd vaak een begaanbare weg in vinden. Dat neemt het verdriet niet weg, maar in hun eigen wereld zijn zij werkelijk iemand. De schat aan verhalen en ervaringen die er in onze vergrijzende samenleving ligt opgesloten wordt nauwelijks ontdekt, laat staan benut. We zouden trouwens ook veel meer naar elkaars verhalen moeten luisteren. Moeten we in de kerken niet eens na gaan denken over huiskringen; het liefste dwars door de kerken heen?

De meest bijzondere afdeling vind ik die waar mensen amper nog spreken. Hoe mooi is het dan een viering rond de tafel te hebben of op de slaapkamer. En dan blijkt dat de rustgevende vogelmuziek ook mij onthaast… Of bij het proeven van honing… ‘U weet wel, dat land van melk en honing? Daar gaan we toch naartoe?’ Opeens neuriet iemand ‘Stromen van zegen’. Het komt erop aan jezelf te kunnen geven, de schaamte voorbij. Ook hier is eenvoud kenmerk van het ware. Het is een eenvoud die ik u allen toewens, te leren in het leerhuis van het leven, ook gewoon in een verpleeghuis. Zo zingt lied 316 het: ‘Het woord van liefde… is in uw éigen mond gelegd, is in uw éigen hart geschreven!’ Het verhaal van de ander is maar al te vaak ons eigen verhaal.

ds. Piet Vellekoop