Lezen in coronatijd

Nu onze levens ineens veranderd zijn, merk ik dat ik boeken anders lees. Ik las bijvoorbeeld een boek over onderduikkinderen dat laat zien hoe het is om voor langere tijd met één of meer mensen opgesloten te zitten in een onzekere tijd. Hoewel onze situatie niet te vergelijken is met de hunne, ontdek ik parallellen en leer ik al lezend hoe je met zo’n situatie omgaat. 

Zo heb ik de laatste tijd ook boeken over emigranten gelezen. In Zuid-Afrika logeerde ik eens een tijd bij een blanke migrantenfamilie. Om het hoofd boven water te houden waren ze een cateringbedrijf begonnen. Tussen de ontmoetingen van ons uitwisselingsprogramma door schoven we steevast aan de tafel om boterhammen te smeren, tomaatjes in bakjes te doen of andere klussen te doen. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gewerkt. Ik kreeg respect voor de manier waarop ze het hoofd boven water hielden. Sindsdien herken ik de migrantenachtergrond bij mensen, waaronder mensen hier in de Randstad die uit andere streken afkomstig zijn. Migranten zijn flexibel, leergierig, begrijpen niet alles helemaal goed, maar zijn toch in staat zijn de eigen boontjes te doppen. Indrukwekkend.

In het boek ‘Argentijnse avonden’ vertelt Carolijn Visser over het leven van een migrantengezin in Tres Arroyos in Argentinië. Bizar genoeg start het met de twintigjarige Rinus uit de Zwartjanstraat in Rotterdam, die de winkel van zijn vader niet uitdagend genoeg vindt en in 1936 zijn geluk in de Oost gaat beproeven. Omdat hij niet veel geld heeft, besluit hij te gaan fietsen. Zo is hij één van de eerste Nederlanders die per fiets de wereld verovert. Hij bikkelt vele weken door en trapt door besneeuwde bergen, snikhete oerwouden, ongelofelijk maar waar, om doodziek in Singapore aan te komen. Zijn verloofde wordt hem achterna gestuurd. Ze gaan maar trouwen en beleven met hun 2 dochters enkele gewone jaren. Daarna gooit de oorlog roet in het eten. Als Rinus terugkeert na de oorlog heeft zijn vrouw een ander en scheidt hij van haar. Met de twee meisjes keert hij terug naar de Zwartjanstraat, daar zorgt zijn moeder voor de meisjes. Hij past niet meer in het bekrompen Nederland en gaat naar Argentinië, waar hij een bestaan opbouwt als aannemer en technisch tekenaar. Het is aangrijpend te lezen hoe de twee meisjes op jonge leeftijd de bootreis naar het verre Argentinië maken. Na aankomst worden ze opgenomen in de immigrantenkolonie Tres Aroyos. De schrijfster tekent een kleinburgerlijke nederzetting, die lijkt op een Nederlands dorp uit de vijftiger jaren, die omringd wordt door de uitgestrekte pampa en de totaal andere manier van leven van de Argentijnen. 

Opnieuw treft me de kracht van deze man. Hij is weliswaar beschadigd door de oorlog met de jappenkampen en de scheiding, maar slaagt erin mee te bewegen met de golven van de ontwikkelingen in Argentinië en bouwt zijn bedrijf op. Toch wordt hij nooit een geslaagd man. Daarvoor sleept hij te veel ballast mee uit zijn verleden. Je zou de man toewensen dat hij een lieve vrouw ontmoet, of eens gaat zitten om te vertellen en eindelijk tot rust te komen. Het is hem niet gegund, of het past niet bij de man die hij is. Rust zoeken, bezinnen, zaken bespreken en oplossen, het heeft zo zijn voordelen. Maar ik leer van deze man de kracht van zijn dadendrang en zijn inventieve geest. Op internet las ik dat het in deze coronatijd de kunst is om ‘als er een storm waait in het oog van de storm te blijven, door telkens mee te bewegen met de ontwikkelingen’. Deze man slaagde daar wonderwel in. En zijn dochter Ida, die het haar leven lang zacht gezegd lastig met hem had, richt in dit boek een monument voor hem op. Zo vervult ze, wellicht onbewust, de oude bijbelse leefregel: ‘eert uw vader en uw moeder’.

Gelezen: Carolijn Visser ‘Argentijnse avonden’.

Ds. Corinne Groenendijk

www.ontmoetingskerkmaarssen.nl

tel. 0346-785842