Van over het water

De plek waar je woonde opzoeken, zien dat het huis weg is – afgebroken en toch blijven zoeken.
Lezers van poëzie zullen deze regels herkennen als regels van Rutger Kopland. Het zijn regels zoals we ze van Kopland kennen. Zinnen waarin vaak een verlangen schuilgaat of zelfs: het verlangen naar een verlangen. Er is iets voorbij of verloren. Voorgoed. We weten het (met het hoofd) maar leggen ons er niet bij neer (in het hart). Je relatie is voorbij, het verleden is geborgen, alles waar we op bouwden, we weten het… …en toch blijven zoeken.
Alles gaat voorbij en in andere gedichten spreekt Kopland zelfs over het ‘geluk’ dat het voorbij is. Zelfs de paradijselijke momenten, de hemelse ervaringen, ook die gaan voorbij, zegt hij elders. Want rust roest en stilstand is achteruitgang. Wat is dan dat verlangen dat we iets nog eenmaal willen zien? Nadrukkelijk werd ik er aan herinnerd toen iemand een heel eenvoudige wens uitte voor het einde van zijn leven. In een kwartier was het geregeld. En… het gaf een intense rust. Zelf noemt Kopland dat: Nog één keer zien wat er bedoeld is geweest / en wat daarvan overbleef. Dat doen we wel. ‘We’. In Koplands gedichten zijn wij lezers ook ‘we’, ook al zijn we dat soms heel duidelijk niet. Maar zijn toon is zo intiem en dichtbij, dat je als lezer gemakkelijk denkt: hij heeft het tegen mij, het gaat over mij, het is mijn leven, het is zijn  ervaring die hij mij wil schrijven. Zijn evangelie, een moderne Prediker (het Bijbelboek). Alsof je een brief krijgt van een vriend.
ds. Piet Vellekoop