Mensenfluisteraars gezocht!

CorIn de Ontmoetingskerk zijn tal van vrijwilligers actief. In 2015 publiceerden we een interview met Cor Korevaar toen hij afscheid nam als ouderling. Binnenkort volgen er meer interviews met mensen in en rond de Ontmoetingskerk. In verband met de ontstane vacatures richt de communicatiewerkgroep zich in eerste instantie op een aantal ouderlingen. Wat doen ze en wat beweegt ze? Wordt vervolgd!

Mensenfluisteraar

Het waren niet echt momenten dat Cor Korevaar zich echt ouderling voelde. Hij werd keer op keer verrast door wat mensen hem vertelde. Als hij dan thuiskwam na een bezoek, vertelde hij zijn vrouw Henriëtte dat ‘het toch elke keer weer bijzonder is wat mensen hem toevertrouwen’. Het feit dat je uit de kerk komt, wekt vertrouwen en geeft een entree. Cor Korevaar is maar liefst 14 jaar ouderling geweest en trad bijna twee jaar geleden af. Hij vertelde over zijn werk in een interview met Jochem Stuiver.

Het woord ‘ouderling’ is behoorlijk oubollig, eigenlijk volledig uit de tijd, vindt Cor Korevaar. “We moeten eigenlijk een synoniem bedenken. Een woord dat uitlegt dat een iemand namens de kerk mensen bezoekt, die wil praten over geloof of die wil luisteren naar je sores. Luisteren staat bovenaan; dat is het doel, het bezoek een middel. “Een soort mensenfluisteraar”, zegt Cor Korevaar lachend.

Verbazingwekkend veel wat gemeenteleden meemaken. “Veel nare dingen, wegvallen van familie, geliefden, andere ellende noem maar op. Maar zeker ook verbazingwekkend om te zien dat iemand dan overeind blijft, zich vaak gedragen voelt door een kracht. En die kracht wordt dan weer heel verschillend onder woorden gebracht”. Cor vindt zichzelf wel een nuchter type, niet iemand met grootse gevoelens rondom geloof. “Ik heb op dat gebied een bepaalde stabiele ondergrond, steeds gevoed door de verhalen die ik hoorde. Een haast constante en prettige factor voor mij in het contact met anderen. Het bezoekwerk deed mij persoonlijk ook goed, een ouderling ontvangt dus ook”.

Cor had dit helemaal niet verwacht toen hij het ambt voor het eerst in 1997 aanvaardde. Hij had ook niet het verheven idee dat hij geroepen was. Hij voelde zich lid van een waardevolle club die iets voor medemensen kan betekenen. Dan was het voor hem een logische stap dat je ook je steentje bijdraagt. “Dat is heel nobel gezegd natuurlijk, maar alleen op plichtsbesef blijf je dit werk niet al die jaren doen. De wederkerigheid maakte het voor mij persoonlijk ook aantrekkelijk, ik werd ook regelmatig gevoed. En natuurlijk wist ik van mezelf dat ik best aardig met mensen kan omgaan, niet gehinderd door vooroordelen. Ik kan met veel mensen door een deur, van heel eenvoudig tot chique, en dat is handig want als ouderling kom je echt van alles tegen”.

Veel mensen voelen zich door God verlaten. Een heel menselijk gevoel, vindt Cor. Dat gevoel dat God niet altijd bij je is. “Het zou raar zijn als je alleen mensen tegenkwam, die zich altijd volledig, haast op de toppen, gedragen voelen. Zo werkt het niet. Als iemand zich verlaten voelt, probeer ik te ontdekken of er een bepaald verwachtingspatroon achter zit, zodat je misschien wat antwoorden kan geven. Maar de werkelijkheid is dat je die antwoorden niet hebt. En eigenlijk verwachten mensen dat ook niet van je. Dan fietste ik naar huis en dacht ironisch: ‘nou Cor, die heb je mooi verder geholpen’. Dan wenste je dat je meer te bieden had. Soms denk ik wel eens dat ik dan mensen teleurstelde, tja ik sluit het niet uit. Het gaat ook vaak over dingen die mensen zelf ook moeilijk om onder woorden te brengen. En om dat te uiten, is ook lastig…”.

De behoefte bij ‘jongeren onder de 65’ voor een bezoek van de ouderling is niet groot in Oostwaard. Boven de 65-plus daarentegen is het volgens Cor ‘hartstikke goed dat het er is’. “Deze groep mensen mag je absoluut niet in de kou laten staan. Ouderenzorg is een belangrijk aspect van het kerk zijn. Bij een bezoek ga ik altijd met weinig verwachting, vooral met veel afwachting. “Ik denk dan: ‘ik hoor wel wat er leeft’. Het is soms gewoonweg alleen nodig dat iemand echt naar je luistert”. Toch is het jammer dat je bij jongere gemeenteleden vrijwel niet op bezoek gaat. Want er zijn niet zoveel plekken meer waar mensen met elkaar vanuit een gemeenschappelijke inspiratie, over dingen die ertoe doen, praten. Avonden of middagen met een bepaalde richting, waarin het ook van elkaar verwacht wordt, omdát je vanuit de kerk komt. Wijkavonden zijn voor mij dus nog altijd een meerwaarde, die moet je niet zomaar opgeven. Hopelijk sluiten meer gemeenteleden bij dit soort laagdrempelige huiskamerontmoetingen in de toekomst aan”.

De kerk nadrukkelijk aanwezig laten zijn binnen de gemeenschap van het dorp. Cor Korevaar merkt de beweging die de kerk wil en moet maken. “De kerk laten ervaren als een plek waar je binnen kunt lopen, heel goed! Juist om de vanzelfsprekendheid van die kerk weer wat terug te laten komen, want die is langzamerhand aardig op de tocht komen te staan. De kerk is niet meer een factor die veel meerwaarde biedt in onze samenleving. Ook bij mijn eigen kinderen en vele anderen zegt de kerk als instituut niet zo veel meer. Hoe dat komt? Dat heeft heel verschillende oorzaken. Vaak vindt men het een prima instituut, maar de verbinding naar de inspiratie waar die kerk voor staat, is lastig. Je ziet een soort shopgedrag. Er wordt heel eenvoudig geswitcht naar een ander geloof of geen geloof als ‘er maar een mooie gedachte in zit of iets dieps waar je in je leven wat aan hebt’. En zo hark je je levensfilosofie bij elkaar. Ik ben zelf meer iemand die probeert vanuit een bepaalde samenhang in het leven te staan”. Cor denkt dat, als een bouwwerk overeind blijft, er een goed fundament moet zijn. Als er een aardbeving is, bepaalt het fundament wat erboven in stand blijft. Dan doet het er niet toe of het met rococo of barok aangekleed is. “Ik weet niet of mijn overtuiging overeind blijft, als het echt gaat beven. Maar een christelijke basis is noodzakelijk. Vanuit die basis mag er heel veel openheid zijn, bouw maar wat je wilt. Oudere mensen hebben mij het belang van deze basis geleerd. Vooral als het bij hen ‘flink geschud’ heeft, is er blijkbaar een aantoonbare waarde”.

De basis is het geloof in een God die mensen gemaakt heeft. Die mensen de mogelijkheid heeft gegeven de aarde vorm te geven op een manier die in lijn is met zoals het bedoeld is, zegt Cor. “Ik kom zelf uit de Gereformeerde Bond en daar wordt het heel anders onder woorden gebracht… dat de mensen tekortschieten en dat je door Jezus’ bloed gereinigd moet worden. Daar doe ik niet zo veel mee. Wij zijn als mensen door God geschapen en ik ben er heilig van overtuigd dat de wereld niet door toeval zo ontstaan is en in elkaar zit. Er zit een groeipotentie in die een wonder van schepping is. Daar moet een God zijn die dat op zijn geweten heeft. En we hebben met elkaar de verantwoordelijkheid van diezelfde God gekregen om dat goed in stand te houden en goed over te dragen aan ons nageslacht. Niet alleen door de AOW, pensioen en zorgverzekering goed te regelen, maar ook de mensen een geestelijke weerbaarheid mee te geven. Die is voor mij toch vrij sterk religieus geladen. Alleen het materiële, daar kom je niet mee uit. Het woord gemeenschap, samen met andere mensen, is voor mij belangrijk daarin. Ik wil niet alles samen doen – daar ben ik wel voldoende ego voor – maar wel het geloof een bepaalde zeggingskracht geven, ook tijdbestendig.

Daarin is pastoraat ontzettend belangrijk om mensen duidelijk te maken dat de gemeenschap het individu ziet en dat hij of zij erbij hoort. In dat kader is het ook zo mooi en belangrijk dat je met een gemotiveerd wijkteam kunt samenwerken: het uitwisselen wat er speelt, het samen organiseren. Dat team had ik niet willen en kunnen missen.”

Een nieuwe mensenfluisteraar, wat je in huis moet hebben! Volgens Cor hoef je jezelf maar een vraag te stellen: waarom zie je er tegenop? “Toegegeven, het is niet altijd makkelijk, maar zeker ook niet vaak moeilijk. Je moet primair goed kunnen luisteren. Je hoeft echt niet te evangeliseren, ik ben ervan overtuigd dat je op de een of andere manier vanuit je geloof spreekt. Daar is geen manier voor. Je moet wel het lef hebben om mensen aan te spreken. En er zin in hebben. Ik bel vaak eerst voor een afspraak. Als je het gevoel hebt dat iemand het op prijs stelt dat je komt, dan is zo’n (eerste) bezoek voor jezelf minder een barrière. Bij moeilijke theologische vragen schakel ik de predikant in. Je deelt zelf je tijd in. Er zijn weken dat ik niets doe en weken dat ik wel acht bezoeken doe. De kerkenraad- en wijkteamvergaderingen komen daar dan nog bij. Ik ben ervan overtuigd dat geloof je in leven en sterven bagage geeft, een fundament biedt. En echt, de meeste mensen zijn aardig en het is nooit vervelend om met aardige mensen te praten. En dan hoor je soms wezenlijke dingen, die je eigen leven onverwachts ook verrijken…”